Geschiedenis
Voor de mens liefhebberij kreeg in het fokken, houden en tentoonstellen van honden, rashonden, hield men alleen een hond, wanneer daar een goede reden voor was. De rijken konden zich het bezit van in hun werk sterk gespecialiseerde honden veroorloven. Honden van veel plattelanders waren meestal echte manusjes van alles en werden overal voor gebruikt. Zo had de hoeder van de schapen, wanneer hij niet bij de kudde in het veld was, tevens tot taak de bewaking van huis en hof, de bescherming van huisgenoten en de verdelging van het ongedierte dat kippen en ander pluimvee bedreigde en moest hij als het nodig was tevens dienst doen als trekhond.Voor of onder een hondenkar gespannen, om o.a. melkbussen en andere spullen te vervoeren. Hun dagelijks menu was zeer sober, aardappelen, karnemelk en roggebrood. Men wenste ook geen grote hond een hond die groot genoeg was om zijn taken te kunnen vervullen. Ook het landras waaruit de Hollandse herdershond zou ontstaan was kleiner en fijner dan men bij een herdershond voor mogelijk zou houden.
In april 1874 verscheen de “inlandsche herdershond”. In 1875 is door Nimrod (Kon. Ned. Jachtvereniging) een beschrijving van deze hond in een keurboek een aantal punten vastgelegd. In 1890 presenteerde zich op de eerste Cynophilia tentoonstelling voor het eerst niet de “inlandsche” maar de “Hollandsche” herdershond, genaamd Wolf.
Op 21 april 1898 vond er een gecombineerde Nimrod-Cynophilia tentoonstelling plaats waarop 17 Hollandsche herdershonden verschenen. Wat men van 1898 af tot 1902 op de tentoonstelling te zien kreeg was een mengelmoes zonder eenheid. Op 12 juni 1898 kwamen 17 liefhebbers van deze honden te Utrecht bijeen om te vergaderen over het ras. Na bespreking en goedkeuring werden de raspunten vastgesteld. De Nederlandse herdershonden Club (NHC) was opgericht.
Bij de eeuwwisseling zien wij een stijgende belangstelling voor ons nationale herdershondenras. In elk geval gaan de kortharige meer en beter vooruit dan de ruig - en langharige.
In de eerste raspunten (1898) onderscheidde men o.a. zes haar -variëteiten: kortharige, middelharige, langharige met staand haar, langharige met liggend haar, stekelharige en ruwharige. Er werd toen al gepleit voor drie haar variëteiten. Over de beharing, kleur en schofthoogte bleven de meningen verdeeld.
In 1906 werden de zes variëteiten teruggebracht tot de huidige drie.
In 1908 werden de raspunten herzien.
Er werd besloten dat wit, hoe gering ook, niet toegelaten werd. De kleur van de kortharen uitsluitend gestroomd (zilver of goud). De ruwharen blauwgrijs, peper en zout en gestroomd, absoluut niet geel, rood bruin of roodbruin. De langharen gestroomd of kastanjebruin.
Niet alleen zijn uiterlijk veranderde maar ook zijn leefmilieu. Hij werd gebruikt als politiehond, oorlogshond en verdedigingshond maar ook als huishond.
Herhaalde malen is in de tijd tussen 1920 en 1932 door insiders en door buitenstaanders er op gewezen en er voor gewaarschuwd dat dan weer de korthaar, dan weer de ruwhaar dreigde te verdwijnen, bij gebrek aan belangstelling of goed fokmateriaal. Er is wel voorgesteld om de korthaar op te geven om alle aandacht te kunnen geven aan de ruwhaar; zelfs is (later) wel de mening geuit dat het misschien beter zou zijn geweest van het begin af de drie variëteiten samen te smelten tot één. Maar ondanks de somberste geluiden hebben de korthaar en de ruwhaar het toch steeds weer weten te redden, daarbij maakte men gebruik van honden van het platteland (overwegend uit Brabant) en van onbekende afstamming. In de jaren dertig leefde sterk het idee om te kruisen met Belgische kort - en ruwharen, behorende immers tot hetzelfde oorspronkelijke landslag. Mede daarom werd in die tijd ook wel eens voorgesteld om te spreken over “Brabants Herder”. Het is bij het idee gebleven.
Omstreeks 1930 kwam er meer leven in de fokkerij.
De Hollandse Herder kwam in Brabant veel voor en diende als bewaker van huis en erf.
In 1938 kwam de N.H.C. met de herziene raspunten: middelgrote, middelzware, zelfbewuste, flink gespierde hond, krachtig en symmetrisch van bouw, steeds oplettend en in beweging, met een levendig temperament, een intelligente uitdrukking en goed herdershonden wezen. Gehoorzaam, volgzaam, weinig eisend, waakzaam, zeer trouw en met groot uithoudingsvermogen.
De Tweede wereldoorlog breekt uit. Dit betekende voor Nederland allereerst mobilisatie van het leger, invoering van voedseldistributie, inval van de Duitsers, bezetting met alle gevolgen van dien en voedselschaarste. Opnieuw, maar nu door geheel andere omstandigheden kwam de fokkerij praktisch stil te liggen.
Na de bevrijding in 1945 moest een hele achterstand worden ingehaald.
Aan het eind van de jaren vijftig vertoonden de meeste kortharen een redelijke uniformiteit in type.
Om de fokbasis te verbreden is de langhaar enkele malen gekruist met de korthaar (met goedkeuring van de R.v.B). Nakomelingen krijgen een stamboom (bijlage). In 1984 zijn eveneens met instemming van de R.v.B. twee langhaar teven gekruist met een Tervuerense Herdershond. De nakomelingen hiervan werden weer gecombineerd met langharen van de oude stam. Deze honden (F-honden) hebben een afstammingsbewijs. Nakomelingen hiervan, vanaf de 4e generatie, zijn aangekeurd en (indien goedgekeurd) opgenomen in de bijlagen van het Nederlandse Hondenstamboek.
In 1938 is er nog maar één langhaar van onbekende afstamming en zeker al 7 à 8 jaar oud. Eén man aanvaardde de totale ondergang van deze variëteit niet. Dr. W. van den Akker te Zeist, gepensioneerd gouvernementsdierenarts, teruggekomen uit het toenmalige Ned. Indië waar hij Duitse Herders had gefokt.
In 1937 lid geworden van de N.H.C. begon hij in 1938 aan zijn speurtocht naar een langhaar teef. In het voorjaar van 1939 kreeg hij een langhaar teef van onbekende afstamming uit Loon-op-Zand. Het eerste nest langharen sinds 1929 bewust gefokt werd geboren in oktober 1939, vader was Falco, moeder Adri v.h. Eigen Land.
Falco kwam om bij de oorlogshandelingen op 10 mei 1940. Na de dood van Falco nog extra tegenslagen: uit het eerste nest een veelbelovende goudbruin gestroomde teef overreden, twee nieuwe prachtige reuen van achter de kudde vandaan gehaald, waren weggelopen en er vielen er ten offer aan de hondenziekte. Dr. van den Akker zette met een kleine groep vertrouwelingen door en af en toe werden er ook nieuwe langharen gevonden. De fokkerij van de langharen ging 10-15 jaar geheel buiten de N.H.C. om. Het doel dat Dr. van den Akker voor ogen had was het verwezenlijken van: flinke, goedbehaarde en gestroomde honden met een goed betrouwbaar karakter. In 1951 kwamen een aantal door hem of via hem gefokte honden uit op de Clubmatch van de N.H.C. te Utrecht.
Tussen 1945 en 1949 zijn er drie nesten langharen naar onbekende afstamming gefokt door de heren Arts en van de Klundert. Zij exposeerden in 1948 al. Er is nooit aansluiting geweest van deze honden met die van Dr. van den Akker. Slechts de derde poging is gelukt; dit is te danken aan zijn doorzettingsvermogen en aan een (groeiend) aantal gelijkgezinde fokkers en… aan de hoge leeftijd die hij bereikte. Nog ver in 80 jaar bleef hij keuren en adviezen geven. Toen Dr. van den Akker op 96-jarige leeftijd in 1979 overleed, was de langhaar op een aantal van 200 te schatten.
Dr. van den Akker werd tot erelid benoemd om zijn verdiensten voor de langhaar.
Geraadpleegde literatuur:
Over......Hollandse herders gesproken! (Uitgave van de Nederlandse Herdershonden Club juli 1999)
De Hollandse Herder .... Een rashond van het Eigen Land (Uitgave van de NHC april 1952)
Onze Hollandse herder (Uitgave der NHC ter gelegenheid van 75 jarig jubileum)
De Hollandse Herdershond.... een ras van eigen bodem (Brochure van de NHC)
De Hollandse en Belgische Herder (Jan van Rheenen)
Hollandse Herders (F Hofmeester)
De Hollandse Herder ( Dr. Triebels en Lia Helmers de Regt)
Allemaal Hollanders..... herdershonden van eigen bodem (Jubileumboek ter gelegenheid van 100 jaar Nederlandse Herdershonden Club)